Schrijven · Spreken · Grammar · A2 · B1 · 6 min read
Perfectum: hebben or zijn? Talking about the past in Dutch
When Dutch people talk about something that happened, they mostly use the perfectum: "Ik heb gewerkt", "Ik ben gevallen". You need it in almost every exam email: a complaint about something that went wrong, a message about last weekend, an explanation of why you were absent.
How it works
The perfectum has two parts: a form of hebben or zijn in second place, and the past participle at the end of the sentence.
Ik heb gisteren lang gewerkt.(I worked long hours yesterday.)
We zijn vorige week naar Utrecht gegaan.(We went to Utrecht last week.)
Most verbs use hebben
If you are not sure, hebben is the best guess: most verbs use it.
Ik heb een e-mail gestuurd.(I sent an email.)
Hebt u mijn brief gelezen?(Have you read my letter?)
These verbs use zijn
- Verbs of change: worden (ik ben ziek geworden), beginnen, stoppen (ik ben gestopt met roken), sterven, groeien
- Gaan and komen: ik ben gegaan, hij is gekomen
- Blijven and zijn itself: ik ben thuis gebleven, ik ben ziek geweest
- Arriving and leaving: aankomen, vertrekken, verhuizen (we zijn verhuisd)
- Vallen and gebeuren: ik ben gevallen, wat is er gebeurd?
Movement: it depends on the destination
Verbs like fietsen, lopen and rijden use hebben when you only say that you did the activity, and zijn when you say where you went.
Ik heb een uur gefietst.(I cycled for an hour.)
Ik ben naar mijn werk gefietst.(I cycled to work.)
Making the past participle
Regular verbs: ge + stem + t or d. Use t when the stem ends in one of the consonants of "'t kofschip" (t, k, f, s, ch, p), and d for all other sounds.
werken → werk → gewerkt(k is in 't kofschip, so -t)
wonen → woon → gewoond(n is not, so -d)
Verbs that start with be-, ge-, her-, ont-, ver- or er- don't get an extra ge-.
betalen → betaald, vertellen → verteld(paid, told)
Irregular verbs have their own form, so learn them as a set: gaan → gegaan, komen → gekomen, zijn → geweest, hebben → gehad, doen → gedaan, zien → gezien, schrijven → geschreven, eten → gegeten.
In an exam email
Ik heb op 3 mei een wasmachine bij u gekocht.(On 3 May I bought a washing machine from you.)
Gisteren is hij kapotgegaan.(Yesterday it broke down.)
Ik heb al twee keer gebeld, maar niemand heeft opgenomen.(I have already called twice, but nobody answered.)
Write a complaint email like this in a practice exam, and our grader marks every verb form that needs fixing.